Paul Soete

uit de cyclus: ‘Vergrootglasoog’

VERGROOTGLASOOG

Brussel, 22 maart 2016

 
OOK BOMEN WENEN

Ook bomen wenen hun bladeren uit om een vuist te kunnen maken. Soms
wordt een wilde middelvinger weggesnoeid onder het mom van groei. 

Beknotten is een vaardigheid, zoals schreeuwen voor wie stilte wil.

Een knettervuur herinneren legt aan. Graafplaats van water wordt een zee
om drinken. Verhuizen wordt verwonen.

Orgelwind waait dan een engel over. Brandt zuurstofknoppen in grijs kristal.

Warme aarde maakt vogels zwaarder, maakt wolken zingerig. Er is het ontkurken
van jonge twijgen en verlangen krijgt een binnensmonds bestaan.

Of hoe sterk het spiergeheugen van bomen is. Ze blijven sterven.

 

 

TRY OUT

Avond in het station van Mortsel-Oude-God.
De ruimte rilt nog na. Een verre knal meandert tussen de perrons uit.
Emotie in een staat van paraatheid gebracht.

Wij zijn treingangers. Rommelen wat rond naast elkaar.
Bieden af op gewoontes. Er wordt een hele partij over gepraat.

Je kijkt, bang voor het strijklicht, een sjaal over je hoofd. Dat je hier niet blijft.

De maan wordt een verbannen ijsdwerg.
Wat is de restvorm van tijd, vraag ik.

Ik zoek een luchtplaats in de trein. Iemand komt de coupé binnen
met die verse geur van vroegere verslaving. Het plotse radicaliseren van goesting.

Vloeistofdia’s door het raam.
Een lam hart is pijnlijk, maar zelden fataal.

Laat klei klei zijn, en aarde weer aarde. Ver weg
van het station van Mortsel-Oude-God.

 

 

IN DE WOLKEN

We zochten te lang in de wolken naar wat nooit is geweest:

het blootleggen van kwetsbaarheid,
het dempen van stormen,
het opgooien van dromen.

Moe van het wachten op het onverwachte, wars van wonen in gewoonte.

Nu vastgezet in vreemd achtergelaten plaatsen.
Thuis zijn maar er niet horen.

Weinig uren passen nog in de dag. Die staat met beide voeten op de grond.

 

 

VERGROOTGLASOGEN

Een hond waait de dag uit onder een wuivende boom.
Natuur kent geen schaamte.

Metaal breekt de straat open. Is onverbiddelijk. Laat geen steen
onaangeroerd. Stemmen schuilen tot in alle huizen,
het hart onder water gezet.

Vandaag is van ons heengegaan.

Avond is een rups. Komt pas traag in duizend stukken. Terwijl het wereldmes hakt.

We kijken met vergrootglasogen naar de muur in ieders hoofd.
Gras groeit er hoger dan een hond.  We verdrinken ruisend.
Als we in toon konden zingen, hadden we elkaar gehoord.

Nu klinkt een ander lied,

de ochtend zal jouw ogen hebben.

 

 

 

WEEFFOUT

Jij draagt je eigen naam, ik die
van wat vandaag gebeurde. Word gestorven steeds opnieuw.

Elke hoek van mijn bestaan aangeveegd en afgestoft
in leeggedronken commentaar.

Wat niet te lezen valt, is wat er staat.
I must be cruel, only to be kind.

Wij lopen aan de grond. Er zit een weeffout
in ons dagelijks vergaan.