Paul Soete

VUURTOREN

Toen haar boek “The lighthouse” af was, schreef Virginia Woolf dat het ‘met kop en schouders
uitstak boven al haar ander werk’. Dat is dan ook de bedoeling van een vuurtoren.
Er bovenuit steken om lichtbaken te zijn, ankersteen en richtingwijzer. Om vermoeide schepen
aan land te binden. Het maakt de zorgen van schippers dan ook … lichter.

En met dat licht wordt nogal ‘gemorst’. Om de tien seconden roepen drie lange stoten
voor de O van Oostende op tot een geloof in de veilige thuishaven. Tot 50 kilometer ver.
Een minaret van licht. En dat volledig automatisch. Wat toch net iets handiger is
dan een houtvuur op het strand of een olielamp op een duintop. Wel wordt het systeem
met de regelmaat van een torenklok nagekeken en moet elke keer weer het verrassend
bescheiden lampje van amper twee vingers groot worden vervangen.
Ook al is er een even vlot automatisch werkende reservelamp en draaien
de zelfbewuste lenzen perfect eigenwijs op hun kwikbad rond.

De tocht naar het licht daarentegen heeft iets meer voeten in de aarde.
Wel drie-honderd-vier-en-twintig metalen trappen meer. Of 65 meter hoog.
Maar daarboven heb je heel even de illusie in de ongrijpbaarheid van de tijd te staan.
En dat zet je hart in lichterlaaie – alhoewel dat ook door het klimmen kan komen …
“Een lichtpunt in je duister bestaan”, noemde een bevriend fotograaf dat ooit `s
in een helder moment.

Deze felle Lange Nelle houdt stand. Steeg al tot drie keer toe als een feniks op
uit het lichtend vuur. En zal met haar golvende blauw-witte buitenkleuren
al wat binnen vaart schitterend blijven gidsen.